∼ 1.1 – Uit werken van de wet ∼
Wat betekent de uitdrukking ‘uit werken van de wet’? Hoe kan Paulus aan de éne kant zeggen; dat alleen de daders van de Wet gerechtvaardigd worden, (Rom 2:13) en dat wanneer de onbesneden de rechtvaardigheden van de Wet in acht nemen (de Wet doen/vervullen), van hart besneden zijn en daarom deel hebben aan de belofte, (Rom 2:14-29, 6:16-18) met dat het ware geloof de Wet onderhoud, (Rom 3:31b) daarbij aan de andere kant zeggen, dat ‘uit werken van de wet’ geen vlees gerechtvaardigd zal worden. Nu, Paulus spreekt zichzelf niet tegen, hij leert dat Gods Wet/Woord in acht genomen moet worden willen we door God gerechtvaardigd worden, maar daarbij moeten we uitkijken dat we niet gaan geloven dat wij uit werken bij God onze rechtvaardiging hebben verdient of moeten verdienen. God rechtvaardigt niet uit werken, al moeten we ons wel bekeren van slechte werken en een goeie boom zijn die goede vruchten voort brengt. (Mat 3:8, 7:17, Luk 3:8) Met geen enkel werk dat wij kunnen doen door Gods kracht, zouden we ons vrij kunnen kopen van de dood en onze zonde schuld bij God rechtzetten. Alleen God kan ons vrijkopen en de straf op Zich nemen door het offer dat Jesjoea de Gezalfde heeft gebracht.
Ook in de Galaten-brief heeft Paulus het over het zijn ‘uit werken van de wet’, en daarbij schrijft hij het volgende:

(Galaten 3:11b BaZ) [Maar] jullie die door de Wet gerechtvaardigd willen worden, zijn van de Gezalfde afgesneden en [daardoor ook] van de genade gevallen.
In de Galaten- en Romeinen-brief corrigeert Paulus de gedachte dat rechtvaardiging te ontvangen zou zijn ‘uit werken van de wet’. (Rom 2:19-22, Gal 2:15-16, 21,3:11, 3:21) Hij schrijft daarbij dat dit nooit de functie van de Wet is geweest, maar dat die gegeven is om bekend te maken wat zonde is.(Rom 3:20, 7:7) Zoals ook Gods Geest en Zijn Gezalfde overtuigen van wat zonde is. (Joh 7:7, 16:8) God heeft de Schrift, Zijn Geest en Zijn Gezalfde in de wereld gezonden, met het belangrijke doel dat wij zouden inzien waarvan wij ons moeten bekeren zodat Hij ons kan vergeven. (Joh 12:40, Jak 4:8, 1Joh 1:7, Psa 19:8)
Nogmaals, wanneer Paulus leert dat alleen de daders van de Wet gerechtvaardigd worden, moeten we niet concluderen dat wij uit werken van de Wet onze zaligheid zouden kunnen verdienen. Dat blijft altijd een niet te verdienen geschenk uit genade. Iets dat God alleen schenkt op basis van het offer dat Jesjoea gebracht heeft. Buiten Zijn bloed om bestaat er geen vergeving. Ook voordat Jesjoea de straf voor de zonden van Zijn volk droeg, was er niet de mogelijkheid om ‘uit werken van de wet’ gerechtvaardigd te worden van je vroegere wetsovertredingen. (Gal 2:15-16, 21, 3:11, 3:21) Het bloed van dieren heeft dat nooit bij God kunnen bewerken. (Heb 10:4) Jesjoea moest ook voor de zonden van Abraham, Izak en ieder mens die voor Hem leefde sterven. Hij is de enige weg naar de Vader. (Joh 14:6) Voor meer informatie hierover kun je vinden in de studie “Rechtvaardiging is er nooit geweest uit verdienste” wat opgenomen is in het boek “Galaten als Zwaard”. Al een tijdje werken we aan “Galaten als Zwaard” en in de toekomst hopen we dit boek online te kunnen aanbieden en ook uit te geven in boekvorm.
De uitdrukking ‘uit werken van de wet’ staat in Romeinen 3:28in de context van de vraag: “Is de God van Abraham alleen de God van de Joden en niet van de volken?” Deze vraag heeft te maken met wat de Farizese Joden leren over hoe bekeerlingen uit de volken deel kunnen krijgen aan de belofte van Abraham en de rechtvaardiging van hun zonden. Binnen het Farizees Judaïsme leren zij namelijk dat iemand hiervoor fysiek deel moet worden van Gods uitgekozen volk, en daarbij hoort ook het fysiek besneden zijn wanneer je een man bent. Daarom dwingen ze ook dat elke man besneden moet worden om zalig te worden. (Gal 2:3, 6:12, Han 15:1, Han 15:5) Om de Joden die dit gedachtegoed hebben aan het nadenken te zetten, stelt Paulus deze vraag en geeft hij ook zijn antwoord daarop: “Is de God van Abraham alleen de God van de Joden en niet van de volken? Ja, ook van de volken! Omdat er werkelijk één God is, Die de besnedenen rechtvaardigen zal uit geloofstrouw, evenals de onbesnedenen uit geloofstrouw.” De Joden aan wie Paulus dit schrijft, begrijpen heel goed dat Paulus met de uitdrukking ‘uit werken van de wet’ ook verwijst naar hoe de Farizese leer Gods Wet interpreteert en toepast.
Als we zorgvuldig onderzoeken wat Paulus probeert te doen dan kunnen we zien dat Hij zijn broeders probeert te laten inzien dat zij de besnijdenis verkeerd gebruiken. Dat zij eisen dat iemand fysiek besneden moet zijn is niet geheel onlogisch gezien dat God, in verband met de belofte, Abraham en zijn nageslacht ernstig heeft opgedragen om niet nalatig te worden wat betreft de besnijdenis. (Gen 17:9-14) Maar Paulus pleit met zijn volk, en onderbouwd in zijn schrijven, dat om deel te krijgen aan de belofte, Gods Wet / Woord niet eist dat de onbesnedenen uit de volken, zich eerst moeten besnijden om deel te krijgen aan de belofte. Maar hiermee leert Paulus niet dat zijn volk, het nageslacht van Abraham, niet meer hun kinderen moet besnijden. Integendeel, door wat er in Handelingen 21:21-24 opgeschreven staat kunnen we ook opmaken, dat Paulus dit absoluut niet leerde, maar dat het niet waar is, dat hij zou leren dat de Joden hun zonen niet meer moeten besnijden. Daarbij lazen we in Romeinen 2:25 en 3:1dat Paulus leert dat het werkelijk een voordeel heeft om besneden / Jood te zijn ten opzichte van een onbesneden buitenlander. (Rom 9:4)
God gebiedt in de Wet van Mozes niet dat een vreemdeling verplicht besneden moet zijn om in het land en onder het volk te kunnen wonen. Al eist de Wet van Mozes wel dat diegene zich houdt aan de Wet die God gegeven heeft om in het land in acht genomen moet worden. (Deu 18:9-14, 16:10-11, 26:1-11, 31:12, Num 15:13-16, Num 19:10, Num 19:22-26, Lev 16:29, Lev 17:12, Lev 18:26, Lev 24:16-22) De Wet van Mozes is de door God gegeven grondwet voor Israël. De vreemdeling die in het land wil wonen, mag geen afgoden dienaar zijn en moet de God van Abraham in heiligheid dienen. (Num 15:30-31) Hiermee wordt niet de vreemdeling/buitenlander bedoeld die God niet wil dienen en niet onder het volk woont.
Nu, deze twee zaken: dat God de nakomelingen van Abraham verplicht heeft om al hun zonen te besnijden en dat de onbesneden vreemdeling in het beloofde land mag wonen, zijn twee belangrijke getuigen die God geeft van één en dezelfde geestelijke waarheid.
- Door het fysieke nageslacht van Abraham op te dragen, al hun generaties door zich te besnijden, wil God door alle generaties heen de geestelijke waarheid vertellen: dat je hart besneden moet zijn wil je deel hebben aan de belofte en Gods volk. Door fysiek een volk uit te kiezen, vertelt God over Zijn geestelijke uitgekozen volk, en door de fysieke besnijdenis vertelt Hij over de geestelijke besnijdenis van het hart. Het fysiek uitgekozen zijn en het teken van de besnijdenis dragen is belangrijk en geeft werkelijk een voordeel, (Rom 2:25, 3:1, 9:4) maar het is een schaduwbeeld, een onderwijzing van het geestelijke, maar niet de geestelijke werkelijkheid. Als je uitwendig van vlees besneden bent, zegt dat niets over, of je ook van hart besneden bent. En daarom schreef Paulus ook: “Niet hij is een Jood die het uitwendig is, maar hij is een Jood die het in het verborgen is; die van de besnijdenis van het hart.” (Rom 2:26-29, 9:6-10) Wie is er dan werkelijk een Jood, wie heeft er dan werkelijk deel aan Gods volk en de belofte volgens Paulus? …Daarom is de besnijdenis van het hart essentieel om zalig te worden, voor zowel Jood als zij die zich bekeren uit de volken.
- De tweede getuige die God geeft, waardoor Hij getuigt dat het draait om een besneden hart, geeft Hij door de onbesneden vreemdeling (die zich wil houden aan Zijn Wet) toe te staan om onder Zijn volk te wonen als een ingezetene, in het land wat deel is van de belofte aan Abraham. (Lev 19:33-34a, Jes 56:3) Vertelt hierdoor God ook niet over hoe het geestelijk werkt in Zijn koninkrijk? Want wil God iets vertellen door Abraham het beloofde land te beloven, maar hem het niet te geven en hem voor een lange tijd als een onbesneden vreemdeling daarin te laten verblijven? (Gen 15:18) Ook voordat Abraham zich van God moest laten besnijden, had hij zijn land en familie verlaten en werd hij een Hebreeër genoemd. (Gen 14:13) Als onbesnedene werd zijn אמן (aman – geloof / trouw) hem toegerekend tot gerechtigheid. (Gen 15:6) In Jesaja 56 spreekt God over de vreemdeling en de ontmande, van deze twee die niet besneden zijn, dat zij toch deel hebben aan de belofte wanneer zij daders zijn van de Wet. Door de onbesneden vreemdeling niet te verplichten om zich te besnijden en toch toe te staan in het beloofde land te wonen, vertelt God vanuit een ander perspectief dat het om de besnijdenis van het hart gaat en niet zozeer om de fysieke besnijdenis. Daarbij is het zo, dat wie van hart besneden is, zijn nek niet verhardt om tegen Gods geboden in te gaan, maar die zal wandelen in de voetsporen van Abraham en vindt net als David (die een ware zoon van Abraham was) vreugde in Gods Wet en streeft om die te vervullen. (Deu 10:16, Rom 2:26-29, 4:12) Als God tegen een onbesnedene, van wie het hart besneden is, zou zeggen: “Ik wil dat je je besnijdt.”, dan zou hij net als Abraham reageren en zich laten besnijden. (1Kor 7:19)
Nu waarschuwt Paulus wel in Galaten 5:2-4 tegen het besnijden, omdat het daar gaat om het besnijden vanwege verkeerde redenen; om door werken (overeenkomstig Farizese leer) gerechtvaardigd te worden buiten het bloed van Jesjoea om. Gods hele Wet/Woord is goed wanneer we het toepassen zoals God het bedoeld heeft. (2Tim 3:16) Zijn Wet/Woord verkeerd toepassen is altijd verkeerd. Zo is het verkeerd om te denken dat iemand buiten het kostbare bloed van Zijn vlekkeloze Gezalfde om, door besneden te zijn en de geboden te doen, deel heeft aan de belofte. Daders zijn van de Wet is essentieel om gerechtvaardigd te worden, maar daardoor kan niemand het verdienen. Verzoening en het leven schenkt God door het bloed van een waardig offer dat werkelijk Gods gerechtigheid kan vervullen en betalen voor de zondeschuld van Zijn volk, vrijkopen van de vloek.


